Natuurlijk herstelvermogen

Tekst: Samira Himmit Fotografie: Isabelle Boon

Niels Godijn (26) wordt ook wel de huisecoloog van het Buijtenland van Rhoon genoemd. Hij kent de Zegenpolder op zijn duimpje. ‘Mijn wortels liggen hier.’ Hij wijst: ‘In dat huis woonden mijn overgrootouders, verderop is mijn vader geboren.’ Niels is betrokken bij het experiment akkernatuur in de Zegenpolder. Het doel is het samengaan van landbouw en akkernatuur.

Niels
Niels

Niels met resten van een haas en een insectenverblijf in een wilg.

 

Het experiment heeft een looptijd van drie jaar. ‘Dat is natuurlijk belachelijk kort als je de bodem wilt laten herstellen. De natuur is nauwelijks aanwezig in de reguliere akkerbouw; bijna alle akkervogels zijn bedreigd en er zijn alarmerende berichten over de gigantische terugloop van insecten. Ik geloof er heilig in dat landbouw op een andere manier noodzakelijk én mogelijk is, een manier die óók gunstig is voor boeren.’

Niels is fanatiek vogelaar, je komt hem niet snel tegen zonder een verrekijker om zijn nek. ‘Al van kleins af aan telde ik vogels en andere dieren.’ De ecoloog heeft inmiddels een behoorlijke database opgebouwd over de vogels, hazen en reeën in het gebied. Deze gegevens zijn een waardevolle nulmeting voor de start van de coöperatie van het Buijtenland van Rhoon. ‘Met deze informatie meten we de invloed van de veranderingen die zullen gaan plaatsvinden.’

Cichorei

Cichorei

 

Rijke akkerranden

Volgens Niels is natuurherstel redelijk eenvoudig. De enige noodzaak is niet ingrijpen en de natuur haar gang laten gaan. Iets lastiger is het om natuur en rendabele akkerbouw samen te laten vallen. Niels toont manieren waarop dat toch vrij eenvoudig kan. ‘Hier zie je een rij knotwilgen, dat zijn bomen met een hoge natuurwaarde vanwege het hout dat vol zit met insecten en dus een belangrijke voedselbron voor vogels is. Daarnaast bieden knotwilgen fijne broedplekken. In moderne landbouwgebieden zijn zulke elementen echter zo goed als verdwenen en is alles kaarsrecht, netjes gemaaid en opgeschoond. En dat terwijl zelfs een hoopje takken dat na het knotten achterblijft een perfecte schuilplaats voor dieren kan zijn.’

We lopen verder, langs sloten die steil aflopen. Niels licht toe: ‘Als een slootrand steil is, krijgt de natuur geen enkele kans. Stel je eens voor dat je in deze sloot valt. Reken maar dat het je grote moeite zal kosten om eruit te komen. Als dier ben je helemaal kansloos. Ik vind regelmatig verdronken schapen, hazen en konijnen. Dat moet anders kunnen, toch? Laat de sloten gewoon geleidelijk aflopen.’ Hij vertelt verder over de slootranden. ‘Die worden in het voorjaar gemaaid, als de vogels nog aan het broeden zijn. En dan in juli en oktober nog een keer. Vervolgens wordt het land geploegd, waardoor de grond de hele winter kaal is. Zonder voedsel of beschutting, zijn er ook geen dieren. Terwijl het echt niet nodig is om slootranden meerdere keren per jaar te maaien, zelfs om het jaar is prima. Er ontstaat dan heus niet ineens een bos’

schuilplaats dieren

Schuilplaats dieren

Vogelvriendelijke gewassen

Een stuk grond is ingezaaid zodat de bodem in de winter bedekt blijft. ‘Met een bedekte bodem staat het land staat minder bloot aan de weersomstandigheden en vinden dieren er hun voedsel. Het zaadmengsel is bovendien fijn voor de boeren. De organische stof in de bodem komt straks ten goede aan het productiegewas. Ze noemen dit niet voor niets een groenbemester.’

Niels vertelt verder over mogelijke natuurmaatregelen als onderdeel van akkerbouw. ‘Diversiteit in gewassen is interessant voor broedvogels en andere dieren. Dat komt omdat elke soort zijn eigen voorkeur heeft, de een houdt van lage gewassen en de ander heeft ze liever hoog.’ Daarnaast heeft ieder gewas specifieke eigenschappen waar je gebruik van kunt maken, bijvoorbeeld ter verbetering van de bodem. Op een deel van het land zijn stroken te zien die de gewassen opdelen. ‘Het opdelen van een perceel werkt erg goed. Dieren hebben zo meerdere toevluchtsoorden omdat de grootschaligheid binnen de landbouw verzacht wordt.’ In de verte ligt een grote hoop met balen. ‘Dat is een composthoop die kan worden gebruikt als mest. Het maaisel zit boordevol grondstoffen.’

Vallen en opstaan

Geen experiment gaat vanzelf en zonder tegenslagen. Niels vertelt over graan dat bewust niet geoogst werd, zodat vogels in de winter nog voedsel zouden hebben. ‘Dit hapje werd ontdekt door duizenden ganzen. Die hadden alles binnen twee weken op. Een leerpunt: laat graan nooit middenin de polder staan.’ Het veldstruweel - aangeplante struiken waar vogels in kunnen broeden of beschutting vinden - overleefde de droogte van de afgelopen zomer niet. ‘Volgende keer planten we de struiken in het najaar zodat ze beter kunnen wortelen.’ We lopen verder, onderweg wijst Niels op de potvallen in de grond waarmee de dichtheid aan bodemlopende insecten wordt onderzocht.

Muizenholen tellen

Muizenholen tellen

Natuur van toen

Volgens Niels is het niet de bedoeling nieuwe natuur uit te vinden met de getroffen maatregelen in de Zegenpolder. ‘We willen juist de rijke akkergemeenschap van vroeger terug.’ Om dat te kunnen bereiken moet er eerst gekeken worden naar de huidige stand van zaken. Cornelis Fokker (22) - vogelliefhebber en student bos- en natuurbeheer aan de Wageningen University & Research - doet een vogelmeting in de akkerranden. Daar vangt hij insectenetende zangvogels om poepmonsters af te nemen. Achter zijn bureau analyseert hij de monsters om erachter te komen wat de vogels eten om op die manier de effectiviteit van de akkerranden te kunnen meten.

‘Vandaag heb ik twee grasmussen gevangen die op doortrek zijn naar Afrika, richting de Sahara. Ze zaten voor vertrek dik in het vet. Dat kun je zien aan de gele waas op hun buik’, vertelt Cornelis. Niels vult hem enthousiast aan in zijn verhaal over trekvogels: ‘Laatst waren er morinelplevieren. Dat zijn vogels uit het hoge noorden, die komen van de Russische toendra’s en overwinteren in Noord-Afrika. Drie ervan besloten om op deze polder te landen, een bijzonder zeldzaam fenomeen in Nederland. Dat trok behoorlijk wat vogelaars aan.’

Rietgorzen en braakballen

Ondertussen laat Cornelis de rietgors zien die hij zojuist heeft gevangen. ‘Zo’, stelt hij voldaan, ‘die gaat vanaf nu niet meer naamloos door het leven. Ze heeft nu een ring om haar pootje met een unieke code waarmee kunnen we haar vlucht registreren. De teller staat nu op ongeveer zestig rietgorzen die we in kaart hebben, zegt hij terwijl hij de vogel uitvoerig bestudeert. ‘Het is een jong vrouwtje. Dat kun je zien aan de verse veren. Ik ga haar alleen nog even wegen.’ Het vogeltje verdwijnt in een wc-rol op de weegschaal. ‘Ze weegt 18,2 gram.’ Hij laat de vogel los die snel weer haar vrijheid tegemoet vliegt. Cornelis heeft een presentje voor Niels. Hij overhandigt hem een braakbal, Niels neemt het blij in ontvangst. ‘Kijk, een muizeneter! Deze braakbal toont de eenvoud van het verhaal. Als er geen akkerranden zijn, zijn er ook geen muizen, insecten of vogels.’

Niels: ‘Als je de natuur een zetje geeft, gaat het erg snel. Het natuurlijk herstelvermogen is enorm, vooral als we een netwerk van natuurmaatregelen aanleggen. Het mooie aan natuurvriendelijke akkerbouw in Rhoon is dat zich op een steenworp afstand een enorme afzetmarkt bevindt, namelijk de inwoners van Rotterdam die graag duurzaam en lokaal geproduceerd voedsel kopen.’

Natuurlijke bloemen
Vogelnet

Natuurlijke bloemen en een vogelnet voor de telling.